Als tiener naar Uruzgan: het verhaal van Sheila Kok

Deel dit bericht:

Sheila Kok (33) is veteraan: als piepjonge militair werd zij uitgezonden naar Uruzgan. Dat was zwaar, maar het heeft haar ook sterk gemaakt, zegt ze in gesprek met redacteur Jan Tourkov (redacteur Red Pers) ‘Ik was in één klap volwassen.’

Sheila Kok was net negentien jaar toen ze werd uitgezonden naar Afghanistan, als soldaat bij de geneeskundige dienst. Ze ging voor meer dan vijf maanden naar Tarin Kowt, de hoofdstad van de provincie Uruzgan en het hoofdkwartier van de Nederlandse missie in Afghanistan. De eerste nacht in het kamp herinnert ze zich nog goed.

“Je hebt geen idee waarin je terecht komt,” vertelt Kok. “Officieel heb je een week de tijd om te acclimatiseren, maar wij werden gelijk doorgevlogen naar het kamp. De groep die er zat, die trok het niet meer. Wij moesten hen overnemen en ik kreeg een portofoon in mijn handen gedrukt. Die avond kwam er een melding binnen dat er een gewonde Afghaanse man bij de poort was. Of we even konden kijken of hij naar het hospitaal moest, of dat een pleistertje genoeg was. Daar aangekomen, met een gestripte en geblindeerde ziekenauto, vroeg ik aan de soldaat bij de poort of de man gecheckt was op explosieven. Dat was zo. En, vroeg ik, heb je al naar de wond gekeken? Geen antwoord. Toen scheen ik met mijn zaklamp op die mans hoofd en zag ik zijn hersenen uit zijn schedel liggen. Hij leefde nog, en hij heeft het ook overleefd omdat er op de Amerikaanse basis in Kandahar een neurochirurg aanwezig was. Toen dacht ik wel even: holy shit, als dit het eerste is wat ik hier zie… Wat gaat de rest nog brengen?”

Het bleek geen uitzondering. In vijf maanden Uruzgan werd Kok continu geconfronteerd met de verschrikkingen van een door geweld verscheurd land. Met beperkte middelen maakte ze er samen met haar medesoldaten het beste van. Ze redde levens, Afghaanse en Nederlandse, maar verloor ook mensen. Toch mist ze Kamp Holland ook enorm.

Laten we teruggaan naar het begin. Je was zeventien jaar toen je in het leger ging, dat is nogal een beslissing op die leeftijd. Waarom wilde je dat?
“Ik ging op het avontuur af! Het leek me stoer en spannend, en mijn drie jaar oudere broer zat ook bij de landmacht. Ik kon totaal nog niet overzien wat het inhield. Ook al zou de overheid het niet snel zo zeggen, denk ik dat Defensie dat ook het liefst heeft. Op die leeftijd ben je fysiek fit, maar doe je ook gewoon wat je gevraagd wordt. Je gaat er gewoon op af.”

En je wilde ook op uitzending?
“Ja. Dat is waarvoor je het doet. Het avontuur. Mijn eenheid werd al snel uitgezonden naar Irak, maar ik mocht nog niet mee omdat ik nog geen achttien was. Op dat moment vond ik dat helemaal niet leuk. Je vindt jezelf op die leeftijd groter en volwassener dan je bent. Maar als ik er nu op terugkijk was het maar goed ook. Uiteindelijk ging ik mee op de ISAF-missie naar Afghanistan. Je gaat daar als 19-jarige heen, maar je komt niet als 19-jarige terug. Ik was in één klap volwassen.”

Inmiddels is Kok 33 jaar en heeft ze een ander leven: ze woont met haar man, twee jonge kinderen en een hond in een gezellig rijtjeshuis ergens vlakbij Heemskerk, waar ze vandaan komt. Kok solliciteerde vanuit Afghanistan op een opleidingsfunctie in de zorg in Nederland, en werkte zich van daaruit op in het ziekenhuis. Nu is ze leidinggevende in het ziekenhuis tijdens de avonden, nachten en weekenden.

“Ik ben geen fan van spijkerbroeken,” zegt Kok met een knipoog, doelend op mensen die van buitenaf instromen in een hogere functie in de landmacht. Je moet je strepen verdienen, vindt ze, of het nu binnen of buiten het leger is. Volgens Kok zou die mentaliteit – van niet zeuren en hard je best doen – veel mensen helpen in het leven.

Hoe vaak komt jouw militaire ervaring van pas tijdens je werk in het ziekenhuis?
“Eigenlijk altijd, omdat het mij als persoon heeft gevormd. Ik ben stressbestendig en ik denk in oplossingen: meteen handelen en niet te veel nadenken. En wat je hier in Nederland voor je kiezen krijgt, is soms ook best naar, maar het is onvergelijkbaar met wat je in Afghanistan ziet. Mijn collega’s noemen me wel eens een ijskonijn, alsof het me helemaal niets doet. Dat is natuurlijk ook weer niet zo, maar het raakt me wel minder. En dat is best nuttig.

“Mijn functie is meestal iets voor mensen met tientallen jaren ervaring in het ziekenhuis. Wat ik nu doe had ik op deze leeftijd niet kunnen doen zonder militaire achtergrond. Snel handelen, anticiperen, aandacht verdelen: dat zijn dingen die ik daar heb geleerd.”

Daar zouden veel mensen iets aan hebben. Wat vind je van dienstplicht?
“Niet zo’n gek idee, al past het misschien niet meer bij deze tijd. Maar voor veel jongeren zou het goed zijn, voor de jongens maar vooral ook voor de meisjes. Vrouwen zijn tegenwoordig veel bezig met een gelijke rol in de samenleving, maar intussen zijn veel jonge meiden heel onzeker over hun eigen kunnen. Je leert veel over hoe sterk je als persoon eigenlijk bent. Je gaat anders naar jezelf kijken en door samen te werken durf je ook beter op andere mensen te vertrouwen.”

Maar in het leger zitten laat ook sporen achter. Heb je er geen last van?
“Nee, gelukkig niet. Maar ik ben naderhand wel bijna al mijn vrienden kwijtgeraakt. Niet omdat we elkaar zo lang niet zagen of omdat we ruzie hadden, maar door het snelle volwassen worden verwaterde het. We hadden geen connectie meer. En met mijn familie praat ik niet veel over mijn uitzending. Je begrijpt het toch niet als je daar niet geweest bent.”

Is dat niet ook een vorm van er last van hebben?
“Laat ik het zo zeggen: ik heb geen nachtmerries.”

Je bedoelt, het kan veel erger?
“Ja, er zijn genoeg schrijnende verhalen. Er was een jongen in Uruzgan die terug naar huis moest omdat hij aan niets anders meer kon denken dan de granaat die hem op een haar na miste. En één van de Australische militairen met wie wij het hospitaal deelden, die heeft een tijdje terug zelfmoord gepleegd. Hij zat ook bij de geneeskundige dienst.

“Ook in het ziekenhuis kom ik nu regelmatig gevallen tegen van veteranen met zware psychische problemen. Eén geval staat me het meest bij: een veteraan die in Bosnië en Kosovo had gezeten. In totaal had hij volgens mij dertien uitzendingen gedaan. Hij had een zware posttraumatische stressstoornis opgelopen en had alle behandelingen al doorlopen, maar niets had geholpen. Na een zoveelste zelfmoordpoging werd hij wakker in het ziekenhuis. Hij draaide meteen door, werd agressief en ging door het ziekenhuis dwalen, op een gegeven moment zelfs op de kinderafdeling. Ik heb hem toen rustig kunnen krijgen door te zeggen dat ik ook in dienst heb gezeten. Toen had hij even het gevoel dat iemand hem begreep.”

Je zei dat je diensttijd enorm mist. Is het niet tegenstrijdig om terug te willen naar iets wat zo verschrikkelijk kan zijn?
“Dat lijkt misschien zo, maar ik heb geleerd om het heel klinisch te bekijken: eigenlijk was het werk daar ontzettend interessant. En met de kennis die ik nu heb, zou ik het nog veel leuker vinden. Een beetje een sensatiezoeker ben ik misschien ook wel. Maar ik weet dat ik daar iets nuttigs heb gedaan en daar moet je je aan vasthouden. Ik ben er trots op.”

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Red Pers, Podium voor journalistieke ontwikkeling. Met dank aan Jan Tourkov. Bekijk het originele bericht hier: Red Pers